De Kostverlorenvaart is al gegraven in 1413, in opdracht van Graaf Willen IV van Holland. Met deze waterweg voorkwam men, dat de gevaarlijke tocht uit Leiden naar Amsterdam v.v. via de Haarlemmermeer, Haarlem en het IJ gevaren moest worden. Het Amsterdamse gemeentebestuur protesteerde heftig tegen het project uit angst voor een eventuele vijand die via de sluizen in die waterweg de stad onder water zou kunnen zetten. Om die reden werd de vaart afgesloten met een dam ter hoogte van de Overtoom.
Die strubbelingen hebben de vaart zijn naam gegeven, de investering (cost) was zinloos en daardoor ‘verloren’ Pas in 1808 werd die dam vervangen door een schutsluis.
Tot 1897 vormde de Kostverlorenvaart de grens met de gemeente Sloten. Het zal de oplettende kijker opvallen, dat
de kademuur ter hoogte van het stadsdeelkantoor van de Baarsjes een geheel andere aanblik biedt, dan in
andere delen van de vaart. Vroeger had de Algemene Brandstoffenhandel Amsterdam (ABA) hier een los – en opslagplek. Er stond een voor die jaren uiterst moderne elektrische los – en kolentransportinstallatie. De kraan die de schepen loste, stond met zijn poten op de hoeken van het afwijkende stuk kademuur.
Met een happer, die zich aan een stalen monorail verplaatste over de weg en over het terrein, werden de kolen op grote hopen en in silo’s gestort, gesorteerd naar grootte. Onder de silo’s vulden de werknemers papieren en juten zakken met kolen voor de verkoop.
Om te voorkomen, dat tijdens het lossen de kolen op de weg zouden vallen en op het daaronder rijdende verkeer, was onder de kraan een houten plankier gemaakt. De losinstallatie werd rond 1969 gesloopt.




